Home 9 Regels Omgevingsplan

Regels in gemeentelijke Omgevingsplan: de Bruidsschat

Hieronder de standaard regels voor bijbehorende bouwwerken zoals die in 2024 zijn opgenomen in de gemeentelijke Omgevingsplannen, artikel 22.27 en 22.36. Deze regels stonden vóór 2024 in de Bor Bijlage II, artikel 2 en 3, en gaan met name over bijbehorende bouwwerken. Artikel 22.36 stond in artikel 2 van de Bijlage, artikel 22.27 komt overeen met wat er in artikel 3 stond. De regels worden de Bruidsschat genoemd, omdat het Rijk ze aan de Gemeentes heeft ‘gegeven’. Het gaat hier alleen om de omgevingsplanactiviteiten. De regels voor Bouwactiviteiten (bouwtechnisch) waren en blijven landelijk geregeld.

Let op: De gemeente kan de inhoud en de vindlocatie van deze regels wijzigen!

Artikel 22.27

Uitzonderingen op vergunningsplicht (omgevingsplanactiviteit), omgevingsplan onverminderd van toepassing:

Lees: Onderstaande gevallen zijn voor wat betreft de Omgevingsplanactiviteit vergunningsvrij, als ze passen binnen de ruimtelijke regels. Voorlopig bestemmingsplanregels, maar op termijn alle Omgevingsplanregels die op een bepaalde locatie gelden. 

Het verbod, bedoeld in Artikel 22.26, geldt niet voor de activiteiten, bedoeld in dat artikel, als die betrekking hebben op een van de volgende bouwwerken:

a. een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • 1. op de grond staand;
    2. gelegen in achtererfgebied;
    3. op een afstand van meer dan 1 m vanaf openbaar toegankelijk gebied;
    4. niet hoger dan 5 m;
    5. de ligging van een verblijfsgebied, bij meer dan een bouwlaag, alleen op de eerste bouwlaag; en
    6. niet voorzien van een dakterras, balkon of andere niet op de grond gelegen buitenruimte

b. een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

  • 1. op de grond staand;
  • 2. niet hoger dan 5 m; en
  • 3. de oppervlakte niet meer dan 70 m2

      c. een dakkapel in het voordakvlak of een naar openbaar toegankelijk gebied gekeerd zijdakvlak, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

      • 1. gelegen in een gebied dat of een bouwwerk dat in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, is aangewezen als gebied of bouwwerk waarvoor geen redelijke eisen van welstand van toepassing zijn;
      • 2. voorzien van een plat dak;
      • 3. gemeten vanaf de voet van de dakkapel niet hoger dan 1,75 m;
      • 4. onderzijde meer dan 0,5 m en minder dan 1 m boven de dakvoet;
      • 5. bovenzijde meer dan 0,5 m onder de daknok; en
      • 6. zijkanten meer dan 0,5 m van de zijkanten van het dakvlak;

      d. een sport- of speeltoestel anders dan voor alleen particulier gebruik, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

      • 1. niet hoger dan 4 m; en
      • 2. alleen functionerend met behulp van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens;

      e. een zwembad, bubbelbad of soortgelijke voorziening of een vijver op het gebouwerf bij een woning of woongebouw, als deze niet van een overkapping is voorzien;

      f. een erf- of perceelafscheiding, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

      • 1. hoger dan 1 m maar niet hoger dan 2 m;
      • 2. op een erf of perceel waarop al een gebouw staat waarmee de afscheiding in functionele relatie staat; en
      • 3. achter de lijn die langs de voorkant van dat gebouw evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied;

      g. een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied voor agrarische bedrijfsvoering, voor zover het gaat om:

      • 1. een silo; of
      • 2. een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m;

      h. een buisleiding anders dan een buisleiding waarop artikel 2.29, onder p, aanhef en onder 4°, van het Besluit bouwwerken leefomgeving van toepassing is;

      of

      i. een te veranderen bouwwerk, als wordt voldaan aan de volgende eisen:

      • 1. geen uitbreiding van de bebouwde oppervlakte;
      • 2. geen uitbreiding van het bouwvolume; en
      • 3. geen bouwwerk als bedoeld in artikel 2.29, onder b tot en met r, van het Besluit bouwwerken leefomgeving dat niet voldoet aan de voor dat bouwwerk in die onderdelen gestelde eisen.

      Een plan is dus vergunningsvrij als het gaat om één van bovenstaande gevallen, én aan de regels van het omgevingsplan (bestemmingsplan) voldoet! Vooral de laatste categorie is interessant als het gaat om installaties zoals warmtepompen. 

      Artikel 22.28

      1. Op een activiteit die wordt verricht in, aan of op een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is artikel 22.27 niet van toepassing.

      2. Op een activiteit die wordt verricht bij een gemeentelijk monument, voorbeschermd gemeentelijk monument, provinciaal monument, voorbeschermd provinciaal monument, rijksmonument of voorbeschermd rijksmonument is alleen artikel 22.27, aanhef en onder d tot en met i, van toepassing.

      3. Op een activiteit die wordt verricht op een locatie waaraan in dit omgevingsplan de functie-aanduiding rijksbeschermd stads- of dorpsgezicht is gegeven, is artikel 22.27 alleen van toepassing voor zover het gaat om:

      • inpandige wijzigingen
      • een wijziging van een achtergevel of achterdakvlak, als die gevel of dat dakvlak niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd
      • een bouwwerk op een gebouwerf aan de achterkant van een hoofdgebouw, als dat gebouwerf niet ook deel uitmaakt van het gebouwerf aan de zijkant van dat gebouw en niet naar openbaar toegankelijk gebied is gekeerd; of
      • een bouwwerk op een locatie die onderdeel is van openbaar toegankelijk gebied.

      4. Artikel 22.27, aanhef en onder a en b, is ook niet van toepassing als in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, voor de locatie waarop de bouwactiviteit wordt verricht, regels zijn gesteld als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit, tenzij:

      • het bouwwerk waarop de activiteit betrekking heeft een oppervlakte heeft van minder dan 50 m² of
      • het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet, een verbod bevat om grondwerkzaamheden die nodig zijn voor het verrichten van de bouwactiviteit zonder omgevingsvergunning te verrichten waarop regels als bedoeld in artikel 22.22 over het verrichten van archeologisch onderzoek in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid, van toepassing zijn.

      Er zijn dus géén vergunningsvrije omgevingsplanactiviteiten in, aan of op een monument en bij een monument zéér beperkt. Voor beschermde dorps- en stadsgezichten geldt vooral dat bouwwerken alleen vergunningsvrij zijn achter een gebouw, dus ook niet in een zijtuin of voortuin. 

      Artikel 22.36

      Binnenplanse vergunningvrije activiteiten van rechtswege in overeenstemming met dit omgevingsplan

      Onverminderd de overige bepalingen van deze afdeling en de bepalingen van Afdeling 22.3 zijn in ieder geval in overeenstemming met dit omgevingsplan:

      a. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een bijbehorend bouwwerk of een uitbreiding daarvan als bedoeld in Artikel 22.27, onder a, als in aanvulling op de in dat onderdeel gestelde eisen ook wordt voldaan aan de volgende eisen:

      Een bijbehorende bouwwerk is dus pas vergunningsvrij als het én aan de regels van artikel 22.27-a én de regels van artikel 22.36 voldoet.

      1. voor zover op een afstand van niet meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw, niet hoger dan:

      • 5 m
      • 0,3 m boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw en
      • het hoofdgebouw

      alle drie de eisen gelden dus!

      2. voor zover op een afstand van meer dan 4 m van het oorspronkelijk hoofdgebouw:

      • als het bijbehorend bouwwerk of de uitbreiding daarvan hoger is dan 3 m: voorzien van een schuin dak, de dakvoet niet hoger dan 3 m, de daknok gevormd door twee of meer schuine dakvlakken, met een hellingshoek van niet meer dan 55°, en waarbij de hoogte van de daknok niet meer is dan 5 m en verder wordt begrensd door de volgende formule: maximale daknokhoogte [m] = (afstand daknok tot de perceelsgrens [m] x 0,47) + 3; en
      • functioneel ondergeschikt aan het hoofdgebouw, tenzij het gaat om huisvesting in verband met mantelzorg;

      3. de oppervlakte van bijbehorende bouwwerken in het bebouwingsgebied niet meer dan:

      • bij een bebouwingsgebied kleiner dan of gelijk aan 100 m²: 50% van dat bebouwingsgebied
      • bij een bebouwingsgebied groter dan 100 m² en kleiner dan of gelijk aan 300 m²: 50 m², vermeerderd met 20% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 100 m² en
      • bij een bebouwingsgebied groter dan 300 m²: 90 m², vermeerderd met 10% van het deel van het bebouwingsgebied dat groter is dan 300 m², tot een maximum van in totaal 150 m² en

      4. uitbreiding van of gelegen aan of bij een hoofdgebouw, anders dan:

      • een woonwagen
      • een hoofdgebouw waarvoor in de omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit of de omgevingsplanactiviteit bestaande uit een bouwactiviteit is bepaald dat de vergunninghouder na het verstrijken van een bij die vergunning gestelde termijn verplicht is de voor de verlening van de vergunning bestaande toestand te hebben hersteld of
      • een bouwwerk voor recreatief nachtverblijf door één huishouden

      b. het bouwen, in stand houden en gebruiken van een erf- of perceelafscheiding als bedoeld in artikel2.27 – f

      c. het gebruiken van een bestaand bouwwerk voor huisvesting in verband met mantelzorg.

      Kijk altijd in het Omgevingsplan voor de actuele regels!